
Zomaar ergens in het voorjaar zaten we na het eten wat mijmerend na te tafelen.
We hadden de wintersport gemist.
Door een ingrijpende gebeurtenis waren we de afgelopen periode vooral bezig geweest met regelen, organiseren en alles wat daar onvermijdelijk bij komt kijken.
En eerlijk?
Daar werden we niet bepaald vrolijker van.
Het gesprek ging steeds meer richting één conclusie:
We moesten er even uit.
Een paar dagen.
Even weg van de verantwoordelijkheid.
Even geen geregel.
Even geen gedoe.
Gewoon weg.
Ik klapte mijn laptop open en begon te zoeken.
Italië?
Uhum…
Net iets te ver voor een paar dagen.
Praag?
Ook niet helemaal.
Ik ging van bestemming naar bestemming.
Tot mijn ogen bleven hangen bij één stad.
Londen.
Ik keek naar Chris.
‘Londen?’
Een paar dagen later zaten we in de Eurostar.
De ellende van de afgelopen tijd schudde langzaam van ons af terwijl de trein richting de tunnel reed.
En voor we het wisten stonden we op Londen St Pancras.
Gestructureerde chaos.
Drukte.
Mensenmassa’s.
En wij, met een metrokaart in onze zak, op zoek naar de juiste lijn.
Vier dagen lang mochten we de stad opnieuw ontdekken.
Natuurlijk bezochten we bekende plekken.
Het paleis der paleizen.
Trafalgar Square, waar ik tot mijn lichte teleurstelling geen hippie meer kon ontdekken.
En natuurlijk The British Boot Company.
Maar eerlijk?
Dat was slechts een druppel op de gloeiende plaat.
Want deze keer hadden we nog een ander doel.
Eten.
Mijn herinneringen aan de Britse kookkunsten waren namelijk niet bepaald spectaculair.
Sorry Gordon.
Dus besloten we het deze keer anders aan te pakken.
Onze tactiek was simpel:
Eerst naar binnen kijken.
Zien we daar daadwerkelijk mensen uit de streek waar de keuken vandaan komt?
Horen we de taal?
Ruikt het eten zoals we hopen dat het ruikt?
En die tactiek werkte.
In Chinatown aten we bij een Vietnamees restaurant een monsterlijk lekker noedelgerecht.
Bij de Italiaan kregen we goddelijke cannelloni voorgeschoteld.
En bij een Indiaas restaurant aten we een curry waar we nog lang over napraatten.
Maar op onze laatste avond wilden we iets eten wat we nog niet hadden gehad.
Om de hoek van ons hotel zat een Libanees restaurant.
Iedere avond stond er een rij.
En dat is meestal een goed teken.
Op onze laatste avond was de rij ineens een stuk korter.
We keken elkaar aan.
‘Zullen we?’
We sloten aan.
Terwijl we buiten stonden te wachten, probeerden we alvast naar binnen te gluren.
Het zag er authentiek uit.
Na ongeveer twintig minuten kregen we een tafel.
En toen bleek dat het restaurant van buiten nog geen fractie liet zien van wat zich binnen bevond.
We keken onze ogen uit.
Prachtige vloeren.
Een overweldigend, maar perfect samenhangend interieur.
Theepotjes.
Pannen.
Ornamenten.
En vooral:
de taal die om ons heen werd gesproken.
We keken elkaar aan.
Dit zat wel goed.
We begonnen met een granaatappeldrankje.
Zoals het hoort bij een authentiek Libanees restaurant stond er geen alcohol op de kaart.
Voor ons?
Dikke prima.
Daarna begon het echte probleem.
Wat gingen we bestellen?
Er stond zóveel op de kaart dat we eigenlijk alles wilden proberen.
Het dreigde een soort culinair potje iene miene mutte te worden.
De ober zag onze worsteling en kwam naar ons toe.
‘Mag ik een tip geven?’
Graag.
Hij adviseerde de vegetarische mezze.
Een proeverij van allerlei verschillende gerechten.
En dat hebben we geweten.
Even later kwam hij met de eerste schaaltjes.
En nog één.
En nog één.
Uiteindelijk stonden er zestien kleine schaaltjes en bordjes op tafel.
Zestien.
Een prachtig servies met blauwe motieven waarop de kleurrijke gerechten bijna van het bord afsprongen.
We moesten eerst gewoon even kijken.
Ruiken.
Genieten.
En toen begonnen we.
Het ene gerecht was nog lekkerder dan het andere.
De kruiden en specerijen prikkelden onze neus.
Za’atar.
Sumak.
Harissa.
Dukkah.
Ras el hanout.
De hummus was zijdezacht.
De muhammara romig en rijk.
De baba ganoush rokerig en zacht.
Er waren koude én warme gerechten.
Falafel.
Dolma’s.
Pittig.
Romig.
Krokant.
Fris.
Kruidig.
En ondertussen bleven we maar dippen met het verse platbrood.
Chris en ik keken elkaar aan.
Die brede glimlach zei genoeg.
We kennen de Libanese keuken.
Maar dit…
Dit was zonder twijfel één van de beste culinaire ervaringen die we tijdens onze reizen hebben gehad.
We waren rond.
We waren voldaan.
En we waren vooral…
vol.
Zo vol dat ik bij wijze van spreken een sprong in de lucht had kunnen maken en er nog steeds geen hapje meer bij had gekund.
We rekenden af en besloten een extra rondje door Londen te lopen.
Niet voor de bezienswaardigheden.
Maar om het eten een beetje te laten zakken.
En zo werd ons spontane paar dagen weg uiteindelijk veel meer dan alleen een stedentrip.
Het werd een kleine reis door verschillende keukens.
Van Vietnam naar Italië.
Van India naar Libanon.
Allemaal neergestreken in Londen.
En misschien was dat wel het leukste van alles.
We hoefden helemaal niet ver te reizen om even de wereld over te gaan.
We hoefden alleen maar een restaurant binnen te stappen.
En eerlijk is eerlijk…
Ik doe het eigenlijk bijna nooit.
Meestal omdat ik er geen zin in heb.
Maar deze keer heb ik het wél gedaan.
Een review gegeven.
En niet zomaar eentje.
Tien met een griffel.
Want sommige ervaringen verdienen het gewoon om even te worden doorgegeven.
En deze?
Die mocht wat mij betreft niet verloren gaan.
Londen bracht ons rust.
Maar de Libanese keuken bracht ons…
een volle buik en een herinnering die nog steeds smaakt. 🍽️
Geef een reactie