
Uhum…
Wat een lastige.
Maar eigenlijk ook weer niet.
Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik in de jaren achter me heel wat bergen heb moeten beklimmen.
En vooral uit behoorlijk wat berenkuilen heb moeten klimmen.
Ik was altijd heel open en eerlijk naar de mensen om me heen.
Misschien wel té open.
Want daardoor vertrouwde ik mensen waarschijnlijk sneller dan verstandig was.
En daar ben ik regelmatig, figuurlijk dan, met mijn neus tegen een muur aangelopen.
Het vertrouwen dat ik in andere mensen had, werd steeds kleiner naarmate ik me vaker realiseerde dat ik werd gebruikt.
Dus langzaam maar zeker ontstond er iets.
Een gepaste afstand.
En een laag muurtje.
Niet om mensen buiten te houden.
Maar wel om ervoor te zorgen dat je eerst even moet laten zien wie je bent voordat je eroverheen mag klimmen.
Dat muurtje is niet uit de lucht komen vallen.
Het is gebouwd uit ervaring.
En heel eerlijk?
Ik vind het prima zo.
Ik heb een mooi gezin om me heen.
En drie collega’s met wie ik iedere maand uit eten ga.
Dat is voor mij genoeg.
Deze mensen mogen aan de veilige kant van mijn muurtje komen.
En nee…
ik loop echt niet als een soort Iejoor door het leven.
Begrijp me goed.
Ik ben een opgewekte Berta.
Ik kan met humor naar de wereld kijken, relativeren en ontzettend veel dingen gewoon laten voor wat ze zijn.
Ik ben nog steeds eerlijk.
Nog steeds open.
Alleen doseer ik het wat beter.
En heb ik daar last van?
Nee.
Allesbehalve.
Het werkt voor mij eigenlijk als een geoliede machine.
Tot ik deze week ineens ontdekte dat ik mezelf blijkbaar zelfs tijdens een doodgewone boodschap naar de supermarkt moet gaan bewapenen.
En dát vind ik pas lastig.
Ik stond netjes te wachten bij de emballage.
Een meneer, midden dertig schat ik, volle baard en een baseball op zijn hoofd stond voor me en begon een praatje.
Over koetjes en kalfjes.
Niets bijzonders.
Ik deed gewoon mee aan het onschuldige gesprek.
Hij was eerder aan de beurt, pakte zijn bonnetje en verdween de winkel in.
Ik vervolgde mijn boodschappen.
Tussen de rollen wc-papier, pedaalemmerzakjes en de hagelslag kwamen we elkaar nog een paar keer tegen.
Tot het ongemakkelijk begon te worden.
Ik rekende af.
Hij stond bij een andere kassa.
Maar steeds zocht hij oogcontact.
Ik liep naar buiten.
En daar stond hij.
Midden op de stoep.
Ik ontweek hem en nam een andere route.
Vanaf de stoep riep hij me luid gedag.
Het werd zo ongemakkelijk dat ik me voelde en lachte als een boer met kiespijn.
Ik zag hem in zijn auto stappen.
En vervolgens een rondje rijden, zodat hij mij weer tegemoet kon komen.
Op een drafje liep ik een voetpad op, tussen de huizen.
Pas toen ik de voordeur achter me dichttrok, slaakte ik een zucht van opluchting.
En toen kwam de volgende dag.
Ik liep naar de glasbak en wilde daarna even naar het pakketpunt.
Ik liep aan de andere kant van de supermarkt.
En ineens zag ik hem in mijn ooghoek.
Bij de barbershop.
Dezelfde man.
Ik voelde de paniek langzaam door mijn lichaam trekken.
Ik liep sneller.
Ik hoorde hem roepen.
Ik liep nog sneller.
En uiteindelijk stapte ik puffend de winkel in.
Daar moest ik even wachten.
Ik probeerde het van me af te zetten.
Niet meer aan denken.
Tot ik weer naar buiten stapte.
Een witte Audi kwam met flinke vaart op me af.
Hij blokkeerde mijn weg.
Stapte uit.
‘Heb jij een 06?’
Ik keek hem aan.
‘Waarom?’
‘Nou… je ziet er echt goed uit.’
Ik vertelde hem dat ik bezet ben en dat ik verder wilde lopen.
Ik liep om de auto heen.
Maar blijkbaar was dat niet het antwoord waarop hij had gehoopt.
De toon veranderde.
Ik was een bitch.
Een hoer.
En de laatste woorden die hij naar me riep waren:
‘Ik krijg je wel.’
Op dat moment ging alles in mij op scherp.
Ik ontgrendelde mijn telefoon en belde Chris.
‘KOM NAAR DE DEUR.’
Dat was genoeg.
Twee tellen later zag ik hem op zijn sokken naar me toe rennen.
Ik vloog in zijn vertrouwde armen.
Vertelde wat er was gebeurd.
We keken nog naar de snel vertrekkende witte Audi voordat we naar binnen gingen.
Pas toen de deur achter ons dichtviel, voelde ik hoe hard mijn lichaam had gereageerd.
Trillende handen.
Knikkende knieën.
Het zweet liep over mijn rug.
En ineens dacht ik terug aan die prompt.
Als een vreemde je vertrouwen in mensen volledig herstelt…
Nou.
Nee.
Deze vreemde heeft dat in ieder geval niet gedaan.
Integendeel.
Mijn muurtje is deze week met een paar bakstenen verhoogd.
En toch wil ik niet dat deze man bepaalt hoe ik naar de rest van de wereld kijk.
Want dát zou hem pas echt veel macht geven.
Ik blijf vertrouwen.
Niet blind.
Niet onbeperkt.
Maar wel bewust.
Ik blijf lachen.
Ik blijf praten.
Ik blijf mezelf.
Alleen…
als je tegenwoordig over mijn muurtje wilt klimmen, zul je eerst even moeten aanbellen.
En misschien…
je schoenen uitdoen.
Geef een reactie