
Wat is het grappigste misverstand waar ik ooit deel van heb uitgemaakt?
Het was een warme zomerdag, ergens aan het begin van de vakantie.
Zo’n dag waarop de lucht loom boven de camping hangt en alles net iets langzamer lijkt te gaan.
Mijn kinderen waren nog klein en ik had dat jaar iets gedaan wat ik mezelf zelden gunde.
Ik had de hele zomervakantie vrij genomen.
Onbetaald verlof.
En eerlijk?
Het voelde heerlijk.
Onze grote tent stond inmiddels stevig op zijn plek en we waren helemaal geïnstalleerd.
Dat jaar had ik gekozen voor een campingplaats mét een eigen toilet.
Een beetje luxe mocht ook weleens, vond ik.
Geen nachtelijke wandelingen meer met een wc-rol onder mijn arm en slippers in het donker.
Dit was kamperen 2.0.
Mijn oudste, Moos, had die vakantie een belangrijke mijlpaal bereikt.
Hij mocht zelfstandig naar de speeltuin fietsen.
Voor hem voelde dat ongeveer hetzelfde als eindelijk je rijbewijs halen.
Natuurlijk hoorden daar afspraken bij.
Als hij moest plassen, honger had of dorst kreeg, kwam hij terug naar de tent.
En wonder boven wonder…
dat werkte eigenlijk verrassend goed.
Ik ging natuurlijk zelf ook regelmatig even kijken of alles nog leefde, fietste en geen ledematen onderweg was kwijtgeraakt.
Aan het einde van de eerste week hoorde ik hem al voordat ik hem zag.
Gefluit.
Hard ook.
Dat typische fluitje dat hij van zijn opa had geleerd en inmiddels gebruikte alsof hij al jaren op een bouwplaats werkte.
Nog vóór hij de bocht om kwam, wist ik het al.
Daar kwam iemand met een verhaal.
Hij scheurde het paadje op, remde veel te laat, sprong van zijn fiets en gooide die zonder enig mededogen half de heg in.
‘Zóóó…’ riep hij dramatisch terwijl hij zijn haren uit zijn gezicht veegde.
‘Dit is echt een shitfiets.’
Ik keek hem aan.
‘Oeoeoeohhhhh…….’ zei ik langzaam terwijl ik opstond uit mijn campingstoel
‘En wat is volgens jou precies een shitfiets?’
Moos hoefde daar geen seconde over na te denken.
Hij maakte een enorm gebaar met zijn armen, alsof hij een splinternieuwe Ferrari stond te presenteren.
‘Nou…’
zei hij bloedserieus.
‘Eentje die héél hard gaat.’
Ik schoot in de lach.
Daar stond hij dan.
Mijn blonde, zongebruinde knul.
Geen spoor van twijfel.
In zijn wereld was shit blijkbaar gewoon het hoogste compliment dat je een fiets kon geven.
Ik schonk een glas koude sap voor hem in, zette een bakje chips op tafel en samen gingen we op zoek naar een beter woord.
‘Turbofiets?’
‘Neeee…mam.’
‘Rakettenfiets?’
‘Blwah…’
Hij dacht even diep na, nam een flinke hap chips en keek me toen trots aan.
‘Ik weet het al.’
Hij glimlachte.
‘Een woeshfiets.’
En eerlijk?
Ik vond dat eigenlijk veel mooier.
Soms zijn het juist die kleine momenten op een campingstoel, tussen de chipskruimels, zonnebrand en kinderlogica door, die je jaren later nog moeiteloos kunt terughalen.
Omdat er in die eenvoud iets zit wat je nergens kunt kopen.
Vrijheid.
Zomer.
En een kind dat de wereld nog helemaal op zijn eigen manier benoemt.
Geef een reactie