
Als ik een week een dier mocht zijn…
De zon staat hoog boven de vallei. Velden vol kleurrijke bloemen dansen op de warme wind en de bomen dragen hun bladerdek alsof de zomer nooit meer voorbij zal gaan. Hoog boven de bergtoppen drijven dikke stratocumuluswolken langzaam voorbij.
In de verte klinkt de krachtige roep van een arend.
Kort.
Helder.
Zelfverzekerd.
Mijn blik zoekt haar onmiddellijk op.
Boven op een rots zit het vrouwtje. Ze overziet de vallei met een rust die alleen dieren lijken te bezitten. Niet veel later verlaten twee jonge arenden het enorme nest. Hun bruine veren verraden dat ze nog niet volwassen zijn.
Met scherpe ogen volgt ze iedere beweging van haar kroost.
Dan laat ze zich vallen.
Geen twijfel.
Geen aarzeling.
Met een paar krachtige vleugelslagen laat ze zich dragen door de warme thermiek. Moeiteloos cirkelt ze boven de vallei, terwijl haar jongen hoog boven haar hun korte roep laten horen.
Ik laat me neerzakken op een rotsrichel en kijk ademloos toe.
Ineens verandert alles.
De arend hangt bewegingloos in de lucht.
Een fractie van een seconde later duikt ze omlaag.
Haar klauwen schieten naar voren.
Met indrukwekkende precisie grijpt ze een haas, waarna ze met krachtige slagen weer omhoog klimt. Even later landt ze hoog in een boom en geniet van haar vers gevangen maaltijd.
We vervolgen onze wandeling over het kronkelende bergpad.
Vlinders fladderen tussen de bloemen.
Insecten zoemen om ons heen.
Voor me uit lopen Jip en Moos druk met elkaar te praten.
‘Dat was gaaf, mam,’ roept Moos enthousiast.
Jip kijkt hem aan.
‘Ik vond het eigenlijk zielig voor de haas.’
Nog voordat ik iets kan zeggen, zijn ze verwikkeld in een discussie.
‘Zo werkt de natuur nou eenmaal.’
‘Ja, maar zielig blijft het.’
Ik glimlach.
Twee kinderen.
Hetzelfde nest.
En toch zo verschillend.
Wanneer we de bergtop bereiken, ploffen ze uitgeput in het gras.
‘Mag ik een appel?’ vraagt Moos.
Ik geef ze allebei een appel uit mijn rugzak en ga naast hen zitten.
Terwijl zij eten, dwalen mijn gedachten opnieuw af naar de arend.
Eigenlijk verschillen wij niet eens zoveel.
Ook zij zorgt voor haar jongen.
Ze voedt ze.
Beschermt ze.
En bereidt ze voor op een leven waarin ze uiteindelijk zelf hun vleugels moeten uitslaan.
Alleen gaat dat bij een arend een stuk sneller dan bij mensen.
Gelukkig maar.
Want stiekem houd ik mijn kinderen nog heel even klein.
Jip is inmiddels languit op haar rug gaan liggen.
‘Die wolk lijkt op een draak,’ zegt ze dromerig.
Moos kijkt omhoog en schudt zijn hoofd.
‘Ik zie alleen dat er regen aankomt. Misschien moeten we maar eens afdalen.’
Ik schiet in de lach.
Precies zoals ze altijd zijn.
De één leeft in haar verbeelding.
De ander kijkt naar de feiten.
De één droomt.
De ander plant.
Terwijl zij alvast vooruitlopen, blijf ik nog even staan.
Ik kijk naar hun ruggen.
Naar twee kinderen die uit hetzelfde nest komen, maar ieder hun eigen manier hebben om naar de wereld te kijken.
En ineens vraag ik me af…
Zou moeder arend dat ook zien?
Zou zij ook merken dat haar jongen verschillend zijn?
Dat de één misschien wat voorzichtiger is.
Dat de ander als eerste de sprong waagt.
Ik zal het nooit weten.
Maar de gedachte blijft nog even bij me terwijl we nét op tijd droog de auto bereiken.
Als ik dan toch een week lang een dier mocht zijn…
dan kies ik voor de arend.
Niet vanwege haar vrijheid.
Niet omdat ze kan vliegen.
Maar omdat ze mij eraan herinnert dat iedere ouder uiteindelijk hetzelfde doet.
Je bouwt een veilig nest.
Je leert je jongen vliegen.
En op een dag kijk je vol trots toe hoe ze hun eigen lucht kiezen.

Plaats een reactie