
Riva, mijn oude knuffelbeer van een hond, staat al kwispelend bij de voordeur te wachten. Haar snuit is hier en daar wat grijzer geworden en haar bewegingen iets bedachtzamer, maar haar enthousiasme is onveranderd. Wandelen blijft wandelen.
Het is nog vroeg. Zodra ik de deur open, ontvang ik de dag op mijn huid. De frisse lucht tintelt op mijn wangen. De zon hangt laag boven de horizon en stuurt slechts een voorzichtige gloed door de ochtend
Samen slaan we het bosweggetje in, zoals wij het thuis noemen.
Aan weerszijden van het pad staan hoge loofbomen die elkaar boven ons bijna raken. Hun kruinen bewegen zachtjes in de wind. Het geruis klinkt als een oud lied dat het bos al eeuwen kent. Tussen dat ruisen door mengen vogels hun eigen boodschappen. Sommige helder en vrolijk, andere geheimzinnig en verstopt tussen de bladeren.
Hoe verder we lopen, hoe sterker de geur van het bos wordt.
Vochtig mos.
Aarde.
Paddenstoelen.
Leven.
Riva snuffelt uitgebreid aan een pol gras wanneer ik in de verte een vrouw zie naderen.
Er is niets opvallends aan haar verschijning. En toch kan ik mijn ogen niet van haar afhouden.
Wanneer ze dichterbij komt, zie ik dat haar donker bosgroene linnen broek soepel om haar benen valt. Haar pullover heeft een lichtere tint groen en sluit asymmetrisch met een Japanse sluiting. In haar dik krullende haar, dat langzaam grijs begint te worden, draagt ze een haarband in diep aubergine.
Dezelfde kleur zie ik terug in haar sokken en de Mary Jane’s aan haar voeten. Over haar schouder hangt nonchalant een antracietgrijze Japanse knot bag. Ze lijkt volledig op te gaan in de omgeving.
Alsof ze niet door het bos wandelt. Alsof ze er onderdeel van is.
‘Goedemorgen,’ zeg ik.
‘Goedemorgen,’ antwoordt ze.
Haar stem klinkt warm. Rustig.
Riva ziet haar als eerste kans op extra aandacht en loopt direct op haar af. De vrouw hurkt zonder aarzeling neer. Beide handen verdwijnen diep in Riva’s dikke vacht.
‘Wat ben jij een prachtige hond.’
Riva sluit haar ogen van genot.
‘Wat is haar merk?’ vraagt de vrouw lachend.
‘Berner Sennen. De extra large sporteditie.’
Ze schiet in de lach.
Niet luid.
Niet overdreven.
Maar met een oprechte warmte die onmiddellijk iets ontspant in mij. Ze blijft nog even door de vacht van Riva woelen voordat ze opstaat.
‘Prachtig hier, hè?’
Ze kijkt om zich heen terwijl de wind door de bladeren speelt.
‘Rustgevend,’ antwoord ik.
Ze knikt.
‘Ik loop hier vaak. Het geeft me een gevoel van balans. Alsof alles wat te hard roept in mijn hoofd hier vanzelf zachter gaat praten.’
Ik glimlach.
‘Dat herken ik.’
Even lopen we zwijgend naast elkaar. Niet ongemakkelijk. Juist prettig. Alsof woorden geen haast hebben. Het bos draagt ze wel even.
‘Het bos staat nu in volle vruchtbaarheid,’ zegt ze uiteindelijk. ‘Het voedt, beschermt en koestert alles wat hier leeft.’
Ze kijkt me onderzoekend aan.
‘Dat klinkt misschien wat zweverig?’
‘Nee,’ antwoord ik. ‘Ik ervaar het precies zo.’
Er trekt iets door mij heen. Een gevoel van herkenning. Alsof ik deze vrouw al jaren ken. Alsof ik haar vergeten ben. Maar nooit werkelijk kwijt ben geraakt.
‘Hoe heet je?’ vraag ik.
Ze glimlacht.
‘Jade.’
De naam past haar. Kort. Krachtig. Tijdloos.
Voordat ik mezelf kan tegenhouden, stel ik de vraag die al jaren ergens in mijn hart woont.
‘Wat had ik anders moeten doen in mijn leven?’
Jade kijkt niet verrast.
Alsof ze de vraag al kende voordat ik haar uitsprak.
‘Niets.’
Meer zegt ze eerst niet.
Alleen dat ene woord.
Niets.
De wind beweegt zacht door de bomen. Een blad dwarrelt naar beneden. Ik voel mijn keel dichttrekken.
Haar stem blijft zacht.
‘Het leven komt zoals het komt,’ vervolgt ze. ‘Niet altijd zoals we hopen. Niet altijd zoals we plannen. Maar altijd zoals het zich ontvouwt.’
Ik voel mijn keel dichttrekken.
‘Je hebt gedragen wat er op je pad kwam.’
Haar stem blijft zacht.
‘Met kracht.’ ‘Met inzicht.’ ‘En soms met meer moed dan je zelf hebt gezien.’
Mijn ogen prikken.
‘Je was sterk genoeg om door de mist heen te kijken.’
Ze legt haar hand op haar borst. ‘Niet door alles te analyseren.’
Dan wijst ze naar mijn hart. ‘Maar door te voelen.’
Er valt een stilte. Een mooie stilte.
‘Je bezit de kracht van eenvoud.’
Ze glimlacht.
‘Eén bewuste ademhaling.’
‘Eén eerlijke zin.’
‘Eén moedige stap.’
‘Meer is er vaak niet nodig.’
Ik voel hoe de spanning die ik jarenlang heb meegedragen langzaam van mijn schouders glijdt.
‘En nu sta je hier.’
Ze kijkt om zich heen.
‘Natuur om je heen.’
‘Rust in jezelf.’
‘En een intuïtie die eindelijk hard genoeg spreekt om gehoord te worden.’
Dan zet Jade een stap naar voren. Heel voorzichtig neemt ze mijn gezicht tussen haar handen. Ze draait mijn hoofd iets omlaag. Haar ogen zijn vriendelijk.
Oud.
Wijs.
Ze geeft me een kus op mijn voorhoofd.
‘Je zult nooit opgeven.’
Haar stem klinkt bijna als een fluistering.
‘En wat donker was heeft je niet verslagen.’
Mijn adem stokt.
‘Je leven ontvouwt zich precies zoals het moet.’
In de verte klinkt plotseling het roepen van een bosuil.
Laag.
Mysterieus.
Oud.
Ik draai mijn hoofd in de richting van het geluid. Riva duwt zacht tegen mijn been. Wanneer ik weer opkijk, is Jade verdwenen.
Geen voetstappen.
Geen bewegende takken.
Geen afscheid.
Alleen het bos.

Plaats een reactie