
Ergens eind jaren zeventig startte een dag net iets anders dan alle andere dagen.
De meester deed al een paar dagen geheimzinnig en we wisten: er stond iets te gebeuren.
Ik liep die ochtend op een drafje mijn gebruikelijke route naar school, net iets sneller dan normaal. Op het schoolplein stonden groepjes kinderen verspreid voor de ingang te roezemoezen over wat ons te wachten stond.
Half negen.
Juffrouw Kop, de meest geliefde juf van de school, stond met het koord in haar hand de bel te luiden. Haar kleurrijke hippiejurk deinde mee op de beweging van haar arm. Haar donkerblonde haar hing los langs haar volle, zachte gezicht.
We liepen gedwee naar binnen.
De geur van oud hout vermengd met boenwas drong mijn neus binnen. Langs het podium — waar we later dat jaar onze musical zouden opvoeren — liep ik de lange gang in richting klas 6. Zonlicht viel door de smalle hoge ramen naar binnen en verlichtte de kunstwerken van de klas aan de muur.
Meester Smit stond al voor het bord te wachten.
Een lange, magere man. Gekleed in een donkerblauwe pantalon en een wit overhemd met korte mouwen. Zijn gezicht stond streng en op zijn puntige neus balanceerde een rond zilverkleurig brilletje.
“Vandaag is het vrijdag, de laatste dag van de week.”
Hij pauzeerde net iets langer dan we van hem gewend waren.
“Jullie hebben de afgelopen tijd zo goed gewerkt dat ik vond dat daar een verrassing tegenover mocht staan.”
Ik keek mijn vriendinnen één voor één lachend aan. Zodra het geroezemoes wat verstilde, ging hij verder.
Hij pakte een A4’tje van zijn bureau en hield het in de lucht.
“Voordat ik ga vertellen welke indeling ik heb gemaakt, ga ik jullie vertellen wat we gaan doen.”
Bij dat laatste woord sprak hij net wat harder.
“We gaan vandaag naar Lemniscaat.”
Verward keken we elkaar aan.
Lemniscaat?
Meester draaide zich half om, pakte een krijtje uit het gootje onder het bord en tekende een lemniscaat.
“Dat is een acht, meester!” riep Robbie luid door de klas.
Meester Smit maande hem stil te zijn en ging verder met zijn uitleg. Over de lemniscaat als symbool van oneindigheid. En… zo vertelde hij… het was ook de naam van een uitgeverij hier in de stad.
Nu viel er een groter stukje van de sluier.
“En vandaag,” zei hij terwijl zijn mondhoeken licht omhoog krulden, “gaan wij die bezoeken.”
De klas jubelde.
We wisten wat er moest gebeuren. Per groepje van vier nog snel verplicht naar het toilet en daarna door naar de hoofdingang.
Toen iedereen compleet was, las meester vanaf het A4’tje de auto-indeling voor.
Tot mijn teleurstelling zat ik bij hem in de auto.
Dat betekende, de donkerbruine Citroën. Een auto die bij het starten altijd een beetje omhoog leek te komen en mij standaard misselijk maakte. En bovendien, geen muziek, geen geklets en geen lol.
Gelukkig duurde het ritje niet lang.
Binnen no-time stopten we voor een statig pand aan de Vijverlaan.
Een trap bracht ons naar een massief houten deur met een ronde knop en een klein raampje. Boven de deur liep een balkon over de volle breedte van het pand, afgewerkt met sierlijke houten spijlen.
Een vrouw, statig gekleed in een zwart mantelpakje met een witte puntige kraag, opende de deur.
Haar stem was krachtig maar warm.
Ze nodigde ons uit om binnen te komen.
De entree had zwart-witte tegels op de vloer en een brede houten trap. Het voelde er koel, ondanks het warme weer buiten.
Boven ontvouwde zich een grote open ruimte.
Ik keek mijn ogen uit.
Posters van boeken hingen verspreid aan de witte muren. Stapeltjes kinderboeken lagen op houten tafels om in te bladeren. Aan het plafond hingen grote gele lampen en voor de ramen zachte lichtbruine macramégordijnen.
Meester zei dat we op de grond mochten gaan zitten.
Ik nestelde me in het hoogpolige oranje tapijt.
Mevrouw De Jong — want zo heette ze — nam ons mee in het verhaal van hoe een boek ontstaat. Van schrijver tot boek in je hand.
Ik hing aan haar lippen.
Ze vertelde over klassiekers die al jaren meegingen en hagelnieuwe verhalen die nog maar net verschenen waren. Over boeken voor kinderen die lezen verslonden, en voor kinderen die lezen juist lastig vonden. Voor dagdromers. Voor nieuwsgierige kinderen. Voor kinderen die alles wilden weten.
Voor ieder kind was er een boek.
Dat verraste me.
Want ik hoorde bij de groep kinderen die lezen juist lastig vond. Niet omdat ik niet geïnteresseerd was in boeken of verhalen. Integendeel.
Maar door mijn dyslexie.
En dus dacht ik: misschien is er dan ook een boek voor mij.
Na haar verhaal mochten we rondkijken.
Mevrouw De Jong keek me aan en wees naar de hoek rechts van de ruimte.
“Kijk daar maar eens.”
Ik liep erheen.
Daar lagen boeken met bijzondere titels en minstens zulke bijzondere omslagen.
Augurken met slagroom.
Mijn vader is werkloos.
Toegang tot het feest.
En de zon werd koud.
Ik pakte een vers boek van de stapel.
De kaft was eenvoudig en juist daardoor viel hij me op.
Een geruit A4-vel vormde de achtergrond. Op de voorkant stond een bedroevig meisje met krullend haar afgebeeld. Links van haar zat haar kat Garfunkel. Onderaan stond een augurk met een flinke toef slagroom.
Ik bleef er even naar kijken.
Het was vreemd. Eigenzinnig ook. En misschien was het juist daarom dat ik het opensloeg.
Het papier voelde zacht en glad en had die typische geur van een nieuw boek, een geur die ik nog steeds niet goed kan omschrijven.
Ik hield Augurken met slagroom in mijn handen.
Geschreven door Stephanie.
Ik draaide het boek om en begon de achterkant te lezen.
Stephanie voelt zich niet begrepen. Niet door haar ouders, niet op school en soms zelfs niet door zichzelf. Alleen bij haar kat Garfunkel en in haar dagboek kan ze kwijt wat er in haar omgaat.
Nog voordat ik de tekst uit had, wist ik het al. Dit boek wilde ik lezen. Ik wilde weten hoe het afliep.
Ergens in de verte hoorde ik de stem van mevrouw De Jong weer.
“Jullie mogen allemaal een boek uitkiezen en mee naar huis nemen.”
“Echt?” klonk het door de ruimte. Ik hoefde niet na te denken.
Ik hield het boek al stevig vast. Dit wilde ik lezen.
Na veel dankbetuigingen namen we afscheid.
Terug in de auto naar school dacht ik aan het statige pand. Aan de stapels boeken op de houten tafels. Aan de rust die er hing. Aan mevrouw De Jong. En aan het boek op mijn schoot.
Daar, tussen het hoogpolige oranje tapijt, de geur van papier en de woorden van een meisje dat ik nog niet kende, is mijn liefde voor boeken ontstaan.
Na Augurken met slagroom volgden er nog velen.
Ik verslond alles wat Lemniscaat in dat genre uitbracht.
En ergens denk ik nog weleens terug aan die vrijdag.
Aan dat ene uitstapje.
En hoe een kind dat lezen moeilijk vond, onverwacht haar weg naar boeken vond.

Plaats een reactie