Een pretparkkaartje lost geen schoolprobleem op

Dagelijkse schrijfopdracht
Wat is een boek dat je nooit hebt afgemaakt, maar waar je nog steeds aan denkt?

Ik las vanmorgen een nieuwsbericht waar ik toch even mijn wenkbrauwen bij optrok.

Een middelbare school in Zierikzee probeert het spijbelen tegen te gaan.

Niet alleen door te straffen.

Nee, deze school haalt alles uit de kast.

Traktaties.

Een snipperdag.

En als klap op de vuurpijl:

een kans op twee kaartjes voor een pretpark.

Mijn eerste gedachte?

Huh?

Ik las het artikel nog een keer.

Want ik snap de gedachte erachter eigenlijk best.

Verzuim onder scholieren neemt toe en scholen zoeken naar manieren om leerlingen weer vaker in de klas te krijgen.

En eerlijk is eerlijk: als je altijd alleen maar straft, krijg je ook niet automatisch een kind dat met plezier iedere ochtend zijn tas inpakt.

Dus misschien werkt positief belonen wel.

Maar toch bleef er iets knagen.

Wat vertellen we een kind eigenlijk wanneer we zeggen:

‘Als jij maar vaak genoeg op school verschijnt, krijg je iets leuks.

En nog belangrijker:

waarom verschijnt dat kind eigenlijk niet op school?

Want daar begint voor mij het echte gesprek.

Een puber die een keer besluit om een les over te slaan omdat het buiten prachtig weer is…

Tja.

Daar kunnen we waarschijnlijk allemaal wel een beetje inkomen.

Maar een kind dat structureel niet naar school wil?

Daar zit misschien een heel ander verhaal achter.

Misschien…..wordt het gepest.

Misschien……voelt het zich nergens bij horen.

Misschien……is de klas te druk.

Misschien…….is het kind ontzettend onzeker.

Misschien…….begrijpt het de lesstof niet en schaamt het zich daarvoor.

Misschien…….is er sprake van angst.

Misschien…… is er thuis iets aan de hand.

Misschien……is het kind overprikkeld.

Misschien ….is het kind wel intens lui en er volgt toch geen sanctie op mijn afwezigheid mentaliteit.

Of misschien is er iets waar wij als volwassenen nog helemaal geen zicht op hebben.

En dan kun je natuurlijk zeggen:

‘Als je 95 procent aanwezig bent, krijg je een traktatie.

Maar daarmee heb je de reden waarom een kind niet naar school wil nog niet gevonden.

Sterker nog…

misschien leert het kind vooral hoe het systeem werkt.

Een pretparkkaartje?

Daar wil ik best mijn best voor doen.

Maar wat gebeurt er zodra de beloning verdwijnt?

Dan begint het echte probleem misschien gewoon opnieuw.

En toch wil ik deze school ook niet meteen afbranden.

Want ik vind het eigenlijk mooi dat ze proberen om naast het straffen ook iets positiefs te doen.

Een kind laten merken:

‘We zien dat je er bent.’

Dat vind ik waardevol.

Een compliment kan soms meer doen dan een preek van twintig minuten.

En waardering krijgen voor iets wat je moeilijk vindt, kan ontzettend motiverend zijn.

Maar er zit voor mij een verschil tussen:

‘Fijn dat je er bent.’

en

‘Als je komt, krijg je iets.’

Het eerste gaat over het kind.

Het tweede over de beloning.

En misschien moeten we daar wat vaker bij stilstaan.

Want kinderen zijn geen machines die je met de juiste beloning aanzet.

Ze zijn mensen.

Met gevoelens.

Met zorgen.

Met onzekerheden.

Met wensen.

Met verhalen die ze soms zelf nog niet eens onder woorden kunnen brengen.

En misschien is dat wel precies wat mij als voormalig pedagoog blijft triggeren.

Kijk eerst naar het gedrag.

Niet alleen naar het gedrag dat je wilt veranderen.

Maar naar het verhaal dat erachter zit.

Want je kunt een kind wel een pretparkkaartje geven om naar school te gaan…

maar misschien moeten we eerst ontdekken waarom het kind überhaupt niet door die schooldeur wil.

En dát gesprek lijkt mij uiteindelijk veel meer waard dan welk pretparkkaartje dan ook.

En dan vraag ik me nog iets af.

Waar zijn de ouders eigenlijk in dit verhaal?

Want een school kan traktaties uitdelen, snipperdagen verzinnen en zelfs een pretparkkaartje uit de hoge hoed toveren…

Maar uiteindelijk gaat een kind iedere ochtend niet alleen door de schooldeur.

Daar heeft thuis ook een rol in.

Wat gebeurt er aan de keukentafel wanneer een kind zegt:

‘Ik ga vandaag niet naar school.

Wordt er dan gevraagd waarom?

Wordt er doorgevraagd?

Wordt er contact opgenomen met school?

Of wordt er misschien gedacht: ‘Ach, één dagje kan toch geen kwaad?

En voordat ik nu met mijn vingertje naar ouders ga wijzen, wil ik daar ook voorzichtig mee zijn.

Want misschien zijn er ouders die zich geen raad weten.

Misschien hebben zij al honderd keer geprobeerd hun kind naar school te krijgen.

Misschien is de situatie thuis net zo ingewikkeld als die op school.

En misschien hebben ook zij geen idee wat er achter het gedrag van hun kind zit.

Maar juist daarom zou ik hopen dat school en ouders naast elkaar gaan staan.

Niet tegenover elkaar.

Niet: Uw kind spijbelt.

Maar:

Uw kind komt niet naar school. Wat speelt er?

Want als een kind structureel niet door die schooldeur wil, lijkt mij een pretparkkaartje misschien een aardige extra motivatie…

maar geen oplossing.

Het kind, de ouders én de school hebben elkaar nodig om te ontdekken wat er werkelijk speelt.


Reacties

Geef een reactie

Ontdek meer van Studio De Kinder-babbelaar

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder