
Ik ben al een poos in de ban van boeken over de Tempeliers.
Ik verslind ze alsof het warme croissantjes zijn die net uit de oven van een kleine boulangerie in een Frans dorpje komen.
De ene bladzijde na de andere.
Kerst, ergens rond 2018.
Onder de kerstboom ligt een zwaar, rechthoekig pak.
Mijn schoot wordt gevuld.
Ik scheur het papier open.
Kruistocht van de Tempeliers van Robyn Young.
Een historische roman over ridder Will Campbell, die tijdens de kruistochten niet alleen vecht tegen zijn vijanden, maar ook tegen zichzelf.
Zijn eed.
Zijn geweten.
En zijn gevoelens voor de mooie Elwen.
Zo’n boek waarvan je denkt:
Nog één hoofdstuk.
Om vervolgens drie uur later nog steeds op dezelfde plek te zitten.
Toen de zomer dichterbij kwam, besloten we een vakantie te boeken.
Ik keek naar de bekende badplaatsen.
Vol terrassen.
Vol toeristen.
Vol drukte.
Maar mijn hart sloeg nergens sneller van.
Tot ik op Airbnb langzaam naar Zuid-Frankrijk scrolde.
Ineens bleef mijn blik hangen.
Niet bij een zwembad.
Niet bij een luxe villa.
Maar bij een streek waar eeuwenoude Tempeliersdorpen nog altijd overeind staan.
Dat was het.
De gîte was binnen een paar minuten geboekt.
Een paar weken later reden we Frankrijk binnen.
Hoe dichter we bij de Causse du Larzac kwamen, hoe stiller ik werd.
Niet omdat er weinig te zien was.
Juist omdat er zoveel geschiedenis lag.
Massieve torens.
Dikke muren.
Smalle schietgaten.
Poorten waar honderden jaren geleden ridders onderdoor liepen.
Ik stap zo’n vesting binnen…
en mijn fantasie gaat er direct vandoor.
De muren lijken nog verhalen te fluisteren.
Ik zie de Tempeliers lopen.
Hun witte mantels.
Het rode kruis.
Paardenhoeven op de keien.
Mannen die na een lange reis eindelijk weer thuiskomen.
Voorzichtig leg ik mijn hand op de eeuwenoude stenen.
Hoeveel handen hebben deze muur vóór mij aangeraakt?
Hoeveel levens hebben zich hier afgespeeld?
Op het plein staat een indrukwekkende kerk.
Binnen is het koel.
De grote natuurstenen vloeren glanzen nog altijd.
Alsof de tijd hier besloten heeft om iets langzamer te lopen.
Ik sluit mijn ogen.
En ineens zie ik hem.
Will Campbell.
Zijn witte tuniek is stoffig.
Zijn baard is gegroeid.
Zijn gezicht verraadt de lange reis die achter hem ligt.
Moe stapt hij de commanderie binnen.
Hij verlangt naar een warme maaltijd.
Een bed.
En misschien…
heel even…
naar vrede.
Dan open ik mijn ogen weer.
Will heeft hier natuurlijk nooit echt gelopen.
Maar toch…
voelt het even alsof hij er was.
En misschien is dat wel de grootste kracht van een goed boek.
Dat het je niet alleen een verhaal vertelt.
Maar je meeneemt naar een plek waar je zonder dat verhaal misschien nooit was beland.
Geef een reactie