Dagelijkse schrijfopdracht
What do you love now, that you hated when you were younger?

Ik open de schuifpui en de ochtend begroet me met een lichte tinteling op mijn wangen.

Het gras voelt nat onder mijn blote voeten. Ik blijf even staan en laat het frisse gevoel door mijn lichaam trekken.

Nog voor ik een stap verder zet, hoor ik mijn moeder.

‘Polly,……….je klompen. De oude!’

Snel schiet ik mijn versleten klompen aan. Ik wiebel met mijn tenen en voel wat zand naar binnen glijden.

‘Hallo zon,’ fluister ik.

Ik loop de berg af, sla de hoek om en zie de bramenstruik.

Mijn mouwen verdwijnen direct omhoog en ik begin te plukken. De bramen zijn warm van de ochtendzon. Zoet.

Terwijl ik eet, kijk ik glimlachend naar mijn langzaam paars kleurende vingers.

‘Kijk, rups… ze worden paars.’

Mijn vader en mijn zus lopen intussen alweer verder.

‘Kom Pol, we gaan.’

‘Nog een paar, papa…’

‘Nee,….. kom.’

Met lichte tegenzin loop ik achter hen aan.

Onderweg zie ik een witte vlinder.

Zijn vleugels lijken van fluweel.

Zonder erbij na te denken beweeg ik mijn armen mee op zijn ritme.

‘Polly…’

Ik hoor mijn vader alweer.

‘Ja papa, ik kom.’

‘Ik was aan het dansen met de vlinder.’

Hij glimlacht en loopt verder.

Even later hoor ik het beekje.

Het heeft geregend.

Het water stroomt sneller dan gisteren.

Mijn klompen vliegen uit.

Ik til mijn gele rokje op en zet voorzichtig een voet in het ijskoude water.

‘Oeh…’

Ik moet lachen.

Vissen schieten langs mijn benen.

Ik probeer ze te ontwijken alsof het een spel is.

De vogels zingen.

Ergens hoor ik een uil.

Ik vergeet de tijd.

Tot mijn aandacht valt op een paar mooie stenen.

Voorzichtig loop ik dieper het beekje in.

‘Polly!’

Ik draai me om.

Mijn vader staat op de kant.

‘Wat doe je nou?’

‘Kijk papa… mooie stenen.’

Hij steekt zijn hand uit.

‘Kom maar.’

‘Maar ik wil nog even zoeken…’

Toch klim ik uit het water.

Met droge voeten en een natte rok wandelen we verder.

Niet veel later zie ik hem al.

De stenen zuil.

Ik ren vooruit.

Jozef.

Maria.

De ezel.

Ik steek mijn hand tussen de tralies door en aai voorzichtig over zijn rug.

‘Arme ezel… Maria is veel te zwaar.’

Even verderop ontdek ik paddenstoelen.

Ik ga languit op mijn buik liggen en probeer onder de hoedjes te kijken.

Misschien…

heel misschien…

zijn de kabouters vandaag wel thuis.

Mijn vader tikt op mijn schouder.

‘Polly…’

Ik kijk omhoog.

‘Je bent binnen een kwartier alweer helemaal vies.’

‘Je moeder gaat daar niet blij mee zijn.’

Ik haal mijn schouders op.

‘Dat is niet erg, papa.’ 

‘Straks is het weer droog.’

‘Ik wilde alleen even kijken of de kabouters thuis waren.’

Hij geeft me een kus op mijn voorhoofd.

‘Jij bent een dromer.’

Jaren later sta ik opnieuw met mijn blote voeten in datzelfde beekje.

Alleen lopen nu Jip en Moos voor me uit.

Ze verzamelen stenen.

Kijken naar vissen.

Vergeten de tijd.

‘Mama…’

‘Gaan we straks ook nog naar de zuil?’

‘Ja hoor.’

‘We hebben alle tijd.’

Ik glimlach.

Misschien ben ik inderdaad altijd een dromer gebleven.

Ik sta nog steeds stil voor een vlinder.

Word nog steeds gelukkig van een kabbelend beekje.

En ik kijk nog steeds onder paddenstoelen…

voor het geval de kabouters vandaag wél thuis zijn.

Ik kijk naar mijn kinderen.

En ineens begrijp ik wat ik miste, maar ook wat het mij leerde.

Niet dat we moesten doorlopen.

Maar dat de wereld soms vraagt om even stil te blijven staan.

Zodat je haar écht kunt zien.

Fediverse Reacties

Reacties

Plaats een reactie