
Vroeger geloofde ik dat mijn knuffels gingen leven zodra ik sliep.
En ik wist zeker dat mijn poppen met elkaar praatten zodra ik de slaapkamer uit was.
Belachelijk?
Nee, eigenlijk helemaal niet.
Fantasie is misschien wel de mooiste manier waarop een kinderbrein de wereld leert begrijpen. Het is de magische brug tussen werkelijkheid en dromen.
En ja… dan komen er monsters uit de kast en liggen er minstens twee krokodillen onder je bed.
Voor dat laatste had ik trouwens een perfecte oplossing.
Voor ik ging slapen legde ik een groene doek op de grond, een stukje van mijn bed vandaan. Als ik de volgende ochtend wakker werd, sprong ik vanaf mijn bed precies op dat groene eiland.
Probleem opgelost.
De krokodillen konden me niet pakken.
Als ik er nu op terugkijk, moet ik er vooral om lachen.
Maar eigenlijk was dat geloof helemaal niet zo vreemd.
Kinderen geloven nu eenmaal in wat hen helpt de wereld een beetje begrijpelijker te maken.
En misschien is dát wel de grootste kracht van een kind.
Tot ik me ineens afvroeg…
Waar geloofde ik eigenlijk nog meer in?
Niet als kleuter.
Maar als kind.
Ik geloofde dat ouders altijd het beste met je voor hebben.
Dat ze je zien.
Dat ze je helpen groeien.
Dat ze je een stevige basis meegeven om later je eigen leven op te bouwen.
Dat bleek jaren later een overtuiging die voor mij veel ingewikkelder lag dan ik als kind had gedacht.
En misschien is dat wel wat volwassen worden doet.
Niet dat je stopt met geloven.
Je gaat alleen in andere dingen geloven.
Ik geloof nog steeds in de mens.
Al moet ik eerlijk toegeven dat dat geloof soms een deuk oploopt.
Als ik ’s ochtends mijn nieuwsapp open, moet ik regelmatig even slikken. Oorlogen. Geweld. Verhalen waarvan je hoopt dat ze niet waar zijn.
Soms vraag ik me af hoe we elkaar zo kunnen kwijtraken.
Maar gelukkig zie ik ook iedere dag het tegenovergestelde.
Mensen die elkaar helpen.
Een onbekende die een ander overeind helpt.
Een kind dat zonder na te denken een hand uitsteekt.
Juist die kleine momenten houden mijn vertrouwen levend.
En misschien geloof ik tegenwoordig nog wel het meest in mezelf.
Niet omdat ik denk dat ik alles kan.
Maar omdat ik inmiddels weet wat ik allemaal heb overleefd.
Als ik achterom kijk en zie welke hobbels en dalen ik ben tegengekomen, denk ik soms heel zachtjes:
Dat heb je goed gedaan, Polly.
Misschien zijn de dingen waar ik vroeger in geloofde dus helemaal niet verdwenen.
Ze zijn alleen met mij meegegroeid.
Ze hebben een andere vorm gekregen.
Een andere plek.
En misschien is dat wel precies hoe geloven hoort te werken.
Niet vast blijven staan.
Maar met je meebewegen, terwijl jij steeds opnieuw ontdekt wie je bent.

Plaats een reactie