
Het was maandag. Na een rustig weekend begon een nieuwe week.
Ik hoefde pas om 9.00 uur te werken, dus ik liet mezelf nog even liggen. Een beetje mijmeren over wat er komen ging: vergaderingen, dossiers…
En toen, als een flits, schoot de gedachte door mijn hoofd. Mijn auto.
Ik sprong uit bed, rukte het gordijn open en keek naar buiten.
Daar stond hij. Gewoon. Op zijn plek.
Ik slaakte een zucht van verlichting. Maar baalde dat dit wel elke ochtend een ritueel is geworden.
Beneden zette ik koffie. De eerste van de dag, altijd de lekkerste. Even een boterham, een douche… en twintig minuten later stapte ik de ochtend in.
Op werk was het al levendig.
“Goedemorgen,” riep ik hier en daar, terwijl ik naar mijn kantoor liep.
“He, Polly, ben je daar eindelijk!”
Ik keek op en zag Lawanda met een brede glimlach. “Hey Smurf, jij bent al lekker op dreef voor de maandagochtend,” grapte ik terug.
Ze duwde een stapel dossiers in mijn handen. We keken elkaar even aan.
“Moest veel aan je denken dit weekend,” zei ze zacht.
“Dankje… het was gelukkig rustig,” antwoordde ik.
De ochtend vloog voorbij. Ik werkte veel weg, zat in mijn flow, tot Lawanda ineens haar hoofd om de deur stak.
“Ben je met de fiets?” Ik keek haar vragend aan.
“Eh… nee?” De blik op haar gezicht… die vergeet ik nooit meer. Koud. Hol.
Alles in mij verstijfde.
“Wat?!”
Ze sloeg haar ogen neer.
“Bel de politie maar… je auto is weg.” Op dat moment stortte alles tegelijk over me heen.
Perplex. Woede. Verdriet. Frustratie. Machteloosheid.
Ik rende naar buiten.
De parkeerplek… leeg.
Met trillende handen belde ik het nummer. Aan de andere kant kreeg ik iemand aan de lijn die klonk alsof hij net begonnen was. Ik legde uit dat mijn auto gestolen was.
Zijn reactie?
“Misschien heeft u hem ergens anders geparkeerd en bent u dat vergeten?”
Ik verstijfde. Woorden waren er niet meer.
Gelukkig was daar Lawanda. Ze trok de telefoon uit mijn handen en nam het over. Haar stem scherp, cynisch. Of hij serieus dacht dat ik dement was.
Ik voelde de tranen komen.
Maar ik slikte ze weg.
De dag ging door. Of eigenlijk: ik ging door. Op automatische piloot.
Collega’s gingen naar huis. Het werd stiller.
Tot ik ineens alleen was. Alleen met de schoonmaakster. Ik pakte langzaam mijn tas. Mijn jas. En liep naar buiten. Mijn hoofd vol. Mijn lichaam leeg.
Toen voelde ik mijn telefoon trillen. De wijkagent.
We spraken kort.
En toen kwam de vraag:
“Heb je enig idee wie je auto heeft meegenomen?” Ik hoefde niet na te denken.
“Ja,” zei ik.
“Mijn stalker.”
Het mannetje met een narcistisch borstbeeld…
die maar blijft nemen, verstoren en vernietigen.
Diezelfde avond.
Het geluid van de brievenbus.
Kort. Hard. Onschuldig… zou je denken.
Ik liep ernaartoe. Met een knoop in mijn maag die ik inmiddels maar al te goed kende.
Een briefje. Geen naam. Geen uitleg.
Alleen woorden.
“Je zult voor de rest van je leven blijven lopen, bitch.”
En daar stond ik. Niet meer alleen boos.
Niet meer alleen verdrietig.
Maar met één keiharde realisatie:
Dit stopt niet vanzelf.

Plaats een reactie