
Het was zomaar een dag. Een dag ergens halverwege de winter.
Een drukke week lag achter me. Op het werk was het gecontroleerd chaotisch geweest en ik weet nog dat ik blij was dat het eindelijk vrijdag was.
Ik appte mijn lief.
“Naar de Italiaan vanavond?”
Het antwoord kwam vrijwel direct.
“JA.”
Met een glimlach sloot ik de deur van het kindercentrum af en liep op mijn gemak naar de auto. Het was eindelijk gestopt met regenen en ik genoot van de koelte op mijn verhitte gezicht. Het viel me op hoe vroeg het donker al werd.
Ik haalde mijn schouders op en stapte in.
De sleutel ging in het contact en mijn oude, trouwe blik op vier wielen kwam kuchend tot leven. Het stuur was wat versleten en het dashboard kon wel een beetje liefde gebruiken.
“Nog even volhouden, mijn beste. De revisie staat gepland.”
Snorrend draaide ik de snelweg op. Tot mijn verrassing was het rustig. Ik maakte daar dankbaar gebruik van en drukte mijn voet iets verder op het gaspedaal.
Ze kon het nog steeds.
Dertig minuten later parkeerde ik haar in de garage en stapte het huis binnen.
Ondanks de kou buiten voelde het binnen behaaglijk. De zwart-met-zachtgele originele tegels in de hal voelden koud aan mijn voeten toen ik mijn schoenen uittrok.
“Phoe, dat voelt goed,” zei ik hardop tegen niemand in het bijzonder.
Ik gooide mijn spullen bij mijn bureau neer, zette een kop thee en nam een moment stilte. Even de drukte van de dag van me af laten glijden.
Buiten hoorde ik de poort opengaan.
“Hey hey, ik ben het!” Mijn lief was thuis.
Hij schopte zijn schoenen uit, drukte een kus op mijn voorhoofd en vroeg tegelijkertijd: “Is er nog thee?”
Ik knikte.
Even later zaten we samen doelloos voor ons uit te staren. Langzaam kwam het gesprek op gang. Over onze dag. Over werk. Over hoe fijn het was dat iemand anders vanavond voor ons zou koken.
Om zeven uur stapten we een warm en knus restaurant binnen.
Eros Ramazzotti klonk door de speakers en er was zichtbaar moeite gedaan om een authentieke Italiaanse sfeer neer te zetten. Marmerkleurige beelden stonden verspreid door de ruimte. Lege wijnflessen met gevlochten rieten onderkanten sierden de planken aan de muur. Trossen druiven vormden de decoratie tussen de schilderijen.
De geur van vers bereid eten vulde onze neuzen en liet onze magen extra rammelen.
Romano kwam ons tegemoet en begeleidde ons naar een tafeltje.
We begonnen met een glas Italiaanse wijn. Een Brunello di Montalcino. We namen een slok, keken elkaar aan en knikten tevreden.
Ja. Deze was goed.
Na een tijdje lieten we onze blik over de menukaart glijden. Ik koos voor een romige risotto met paddenstoelen. Mijn lief ging voor de tortellini.
We praatten over Toscane. Over onze reis van een jaar eerder. Over de heuvels, de dorpjes, het eten en de wijn. Voor even waren we daar weer.
We waren zo verdiept in ons gesprek dat we Romano nauwelijks zagen aankomen met ons eten.
Het zag er verrukkelijk uit. Het rook nog beter.
We hadden nog maar een paar happen genomen toen de telefoon van mijn lief afging. Hij keek op het scherm.
“Ik bel straks wel terug.”
De telefoon stopte. En ging direct opnieuw over.
We keken elkaar aan.
“Neem maar even op,” zei ik.
Hij nam op. “Met Chris.”
Even bleef het stil. “Ja, dat ben ik.”
Aan de andere kant werd gesproken. Terwijl Chris luisterde, draaide hij langzaam zijn hoofd mijn kant op.
Onze blikken ontmoetten elkaar. En op dat moment voelde ik het.
Nog voordat hij iets had gezegd. De uitdrukking op zijn gezicht.
De blik in zijn ogen. Er vormde zich een knoop in mijn maag.
Zijn gezicht verstarde. Ik schoot naar voren.
“Wat?”
Mijn stem was nauwelijks meer dan een fluistering.
Chris slikte.
“Ik heb de politie aan de lijn.”
Een korte stilte.
“Het huis staat in brand.”
De woorden sloegen in als een bom.
Ik stuiterde achteruit in mijn stoel.
Een paar vloeken verlieten mijn mond voordat ik ze kon tegenhouden.
Misselijkheid trok als een golf door mijn lichaam. Ik begon te trillen.
De bloedhond had nu het huis in brand gestoken.
We keken elkaar aan. Allebei niet wetend wat we moesten doen.
“We moeten gaan.” Mijn stem brak. “We moeten gaan.”
De stress schoot door iedere ader van mijn lichaam. Mijn hoofd voelde licht.
Ik keek naar Chris.
Hij bracht zijn hand naar mijn gezicht en veegde een traan van mijn wang.
Daarna zei hij tegen de agent: “Nee, er is niemand in het huis. We komen eraan.”
We renden nog net niet naar de auto.
De rit voelde surrealistisch.
Alsof we naar een film keken waarin we zelf meespeelden.
“We zeiden het toch,” hoorde ik ons allebei zeggen.
“Hij gaat steeds verder.”
“Dit moet stoppen.”
Toen draaiden we onze straat in. Ik slaakte een kreet. De adrenaline raasde als een storm door mijn lijf.
Boven de huizen uit zag ik de vlammen.
“Nee…” Mijn stem brak.
“Oh fuck… ons huis.”
De gore klootzak. Terwijl Chris probeerde te parkeren, sprong ik de auto al uit.
De brandweer bluste vanaf twee kanten.
Waterstralen verdwenen in een muur van vuur.
Ik rende naar de eerste politieagent die ik zag. Alle woede die zich maandenlang had opgehoopt kwam eruit. Frustratie. Angst, wat als we thuis waren geweest! Onmacht. Maar vooral woede…….
Ik vertelde dat we wisten wie dit gedaan had.
Dat het moest stoppen. Dat het steeds verder escaleerde.
Dat er vanaf nu nog maar één taak was. Hem pakken.
De agent liet me uitrazen. Geduldig.
Toen ik eindelijk stilviel vroeg hij: “Dus u weet wie hierachter zit?”
“Ja.”
Ik keek naar de vlammen.
“Mijn stalker.”
Terwijl ik sprak, zag ik hoe het vuur zich verder verspreidde.
Vlammen likten langs het dak. Balken kraakten en zuchtten onder de hitte.
Het huis stond nu volledig in brand.
Ik kon alleen maar kijken. Vol ongeloof. Volkomen ongeloof.
Naast me stond Chris. Ook hij zei niets.
Samen zagen we hoe ons huis werd verwoest.
De misselijkheid bleef. Mijn knieën voelden slap.
Mijn hele lichaam protesteerde tegen wat mijn ogen zagen.
Nu was hij te ver gegaan.
Veel te ver.

Plaats een reactie