Op de lagere school was lezen voor mij geen hobby, maar een ware survivaltocht. Letters waren geen vrienden van me. Sterker nog, ze leken zich tegen mij te hebben georganiseerd. Hoe die losse tekens samen ineens een woord moesten vormen en dat woorden dan weer een zin werden, was voor mij één groot mysterie. Abracadabra, maar dan zonder magie.
Hardop lezen in de klas was helemaal een spektakel. Ik begon dapper aan een zin, bleef halverwege steken op een lettergreep, hakkelde nog wat verder en voelde ondertussen het zweet langs mijn rug lopen. De klas luisterde, ik ploeterde. En soms eindigde het boek zijn reis niet op tafel, maar ergens anders in het lokaal. Of thuis door de huiskamer. Niet mijn meest trotse momenten, maar wel heel begrijpelijk achteraf.
Lezen en ik waren simpelweg geen goede combinatie. Dat heeft een flinke streep door een stuk van mijn kindertijd getrokken. Op de middelbare school had ik daarom een strategie ontwikkeld, onzichtbaar worden. Zodra er voorgelezen moest worden, dook ik diep achter mijn boek. Heel stil. Geen oogcontact. Niet bewegen. Gewoon hopen dat de docent dacht, ach, die slaan we vandaag maar even over.
Maar ja, leraren zijn ook niet gek. Op een gegeven moment vonden ze dat er toch eens beter gekeken moest worden naar mijn leeskunsten. Dus werd er een dyslexietest afgenomen.
En daar gebeurde iets historisch.

Dat was namelijk het eerste diploma dat ik in één keer haalde. 🎓
Eindelijk ergens glansrijk voor geslaagd. Misschien niet helemaal het diploma waar mijn ouders van droomden, maar hé, een begin is een begin.

Plaats een reactie