Er zijn in de loop van mijn leven meerdere fases geweest die ik moeilijk achter me kon laten. Momenten die me gevormd hebben en die niet zomaar los te laten waren. Maar het loslaten van mijn ouders is er één geweest die me lange tijd heeft beziggehouden.
Om dat te begrijpen moet ik een stap terug in de tijd. Ik kom uit een gelovig gezin, eigenlijk uit twee verschillende geloofstradities, waarin “iets goed doen” nooit echt genoeg was. Er lag altijd een duidelijke harde verwachting over hoe je hoorde te leven. Ik ben de derde in een gezin van vier kinderen en merkte al op jonge leeftijd dat ik anders naar de wereld keek dan eigenlijk was toegestaan.
Ik dacht anders over hoe je in het leven kon staan. Ik vond dat een vrouw best mocht studeren en haar eigen pad mocht kiezen. Ik wist al vroeg dat trouwen en kinderen krijgen voor mij niet vanzelfsprekend waren. Dat botste met wat er thuis van mij verwacht werd. Mijn tienerjaren voelden daardoor vaak als een soort overlevingsmodus, waarin ik probeerde mezelf te blijven terwijl ik tegelijk moest omgaan met die druk van buitenaf.
Na de mavo wilde ik graag de richting van de Z- verpleging op. Mijn ouders waren het daar niet mee eens. Eigenlijk hadden ze liever gehad dat ik naar de huishoudschool ging. In hun ogen was het belangrijker dat ik een goede man zou vinden, zou trouwen en kinderen zou krijgen, dan dat ik verder zou leren of een eigen beroep zou kiezen.
In mijn tienerjaren begon het loslaten eigenlijk al. Ik voelde dat ik niet kon en ook niet wilde voldoen aan de verwachtingen die er voor mij lagen. Binnen het gezin kreeg ik al snel een bijnaam, het zwarte schaap. Dat was niet alleen een grapje, het voelde als een plek die mij echt werd toegewezen.
Mijn moeder zei ooit letterlijk tegen mij, dat ik maar beter nooit geboren had kunnen worden, omdat ik in haar ogen een mislukking was. Die woorden zijn lang blijven hangen. Ze snijden diep, zeker als je jong bent en nog zoekt naar wie je bent en waar je thuishoort.
Toen ik op kamers ging wonen, dicht bij de plek waar ik studeerde, heb ik nog geprobeerd contact te houden. Ik zocht voorzichtig toenadering, in de hoop dat er misschien ruimte zou ontstaan voor begrip. Maar er kwam geen reactie. Eigenlijk waren mijn ouders toen al begonnen mij los te laten, hun derde dochter die niet wilde leven volgens hun verwachtingen, die niet het leven wilde leiden van een getrouwde vrouw met een groot gezin.
Uiteindelijk ben ik zelf gaan loslaten. Dat was misschien wel het moeilijkste wat ik ooit heb moeten doen. In het begin voelde het vreemd en onwennig, alsof ik iets fundamenteels kwijt was geraakt. Maar langzaam kwam er ook rust. Mijn lichaam kon ontspannen en mijn hoofd werd lichter. Voor het eerst voelde het alsof ik ruimte kreeg om gewoon mezelf te zijn.
We hebben elkaar daarna nooit meer gesproken. Kort voor zijn dood stuurde mijn vader nog een briefje. Er stond letterlijk: “Ik ben wel je vader en daar had jij rekening mee moeten houden. Je zult in de hel branden, voor altijd.”
Ik heb het briefje opgevouwen, in een klein doosje gelegd en het begraven in de tuin. Niet uit woede, maar als een manier om het daar te laten. Om het een plek te geven die niet langer mijn leven hoefde te beheersen.
Soms zeggen mensen: “Maar het zijn toch je ouders.”
Ja, dat waren ze. Maar ik was ook hun kind.
Voor hen was ik nooit goed genoeg. Het voelde soms alsof ik al was afgeschreven op de dag dat ik werd geboren. Toch heb ik geleerd dat loslaten niet betekent dat het je niets meer doet. Het betekent dat je kiest om verder te leven zonder jezelf steeds opnieuw te verliezen.
En misschien is dat uiteindelijk wat loslaten echt is: niet vergeten wat er was, maar ruimte maken voor wie je bent geworden.


Plaats een reactie