Vorige week had ik een afspraak bij de huisarts. Er zijn wat lichamelijke kwalen die aandacht nodig hebben een soort jaarlijkse APK, zullen we maar zeggen. Niets bijzonders, gewoon even kijken hoe de vlag erbij hangt.
Netjes op tijd schoof ik de wachtkamer binnen en werd direct overvallen door een immens warme temperatuur. Waarom is het altijd zo bloedheet in een wachtkamer? In mijn hoofd zag ik de bacteriën en virussen al een poolparty houden. Voor de afwisseling kruipen ze daarna bij wie er maar voor openstaat gezellig naar binnen.
Maar goed, ik dwaal af.
Ik werd naar binnen geroepen en begon mijn verhaal. In mijn verwachtingspatroon zou daar een luisterend oor tegenover me zitten. Iemand die meedenkt. Iemand die vragen stelt. Nope. Dit keer was het zuchten en puffen.
Ik voelde een lichte irritatie opkomen, maar wuifde die meteen weer weg. Misschien had de man een drukke ochtend gehad. Kan gebeuren. “Dus je wilt een second opinion,” zei de man aan de andere kant van de tafel. “Uhm… nee,” antwoordde ik. “Ik wil verder onderzoek. Ik kan me niet voorstellen dat alleen artrose zoveel pijn veroorzaakt.”
De man werd kortaf. Zijn toon veranderde. “Ja, wat wil je dan?” vroeg hij, chagrijnig, bot en lomp. Op dat moment voelde ik iets vanbinnen imploderen. Alsof alles zich even samenbalde in mijn borst. Ik merkte dat ik boos begon te worden. Ik stond op, trok mijn jas aan en liep naar de deur. Terwijl ik daarmee bezig was klonk zijn stem nog een keer, vanachter de tafel.
“Maar hoe voel je je eigenlijk over de dag genomen? Gespannen misschien? Want misschien zit het allemaal wel tussen je oren.”
Poef.
Daar werd ik pas écht boos van. Gelukkig ken ik mezelf goed genoeg om te weten dat ik op zulke momenten beter niets kan zeggen. Als ik boos ben, is mijn tong scherper dan normaal en ik vermoed dat de man aan de andere kant van de tafel daar niet zo goed tegen kan. Dus liep ik weg.
Soms is zwijgen geen zwakte.
Soms is het zelfbeheersing.
De volgende keer gaat het verhaal verder.

