
Waarom risicovol spel zo belangrijk is
Het was weer die tijd van het jaar, de eerste stagedag van nieuwe stagiaires op het kindercentrum. Dit keer waren het er twee.
En eerlijk is eerlijk, als ze goed worden ingewerkt, zijn ze goud waard. Een extra paar handen op de groep, frisse energie, nieuwe inzichten.
Eén van de stagiaires stelde mij een vraag naar aanleiding van een documentaire over risicovol spel die ze op school hadden gezien.
“Is dat nou echt nodig?”, was de vraag.
Ik hoefde er niet lang over na te denken. “Ja,” zei ik. Kort en krachtig.
Maar ze wilde een voorbeeld.
En die had ik.
Een tijd geleden werkte ik op een kindercentrum in Groningen, gevestigd in een prachtig pand. De BSO zat op de eerste verdieping en was bereikbaar via een trap aan de zijkant van het gebouw.
Op de groep zat sinds kort een jongetje, een slim manneke Tim. Blonde kop en een ondeugende snoet. Hij kon al vroeg goed praten, was alert en sociaal, maar lichamelijk liep hij wat achter op zijn leeftijdsgenootjes.
Tijdens het buitenspelen koos Tim vaak voor de veilige opties. Hij zat het liefst op een loopfietsje of speelde rustig in de zandbak. De glijbaan liet hij steevast links liggen.
“Dat vind ik een beetje eng,” zei hij dan.
En daar zat geen onwil in, maar onzekerheid.
Want als je iets nooit écht hebt mogen oefenen,
hoe kun je dan vertrouwen voelen in je eigen kunnen?
Precies daar werd voor mij opnieuw duidelijk hoe belangrijk het is dat kinderen de ruimte krijgen om te ontdekken, te proberen… en ja, soms ook een beetje te vallen.
Eén van zijn ouders was duidelijk wat meer beschermend. Dat wisten we al, maar hoe groot die invloed was, werd pas echt zichtbaar toen hij naar de BSO ging.
Hij kon namelijk geen trap lopen.
Thuis werd hij nog altijd naar boven gedragen.
Ik heb hem rustig uitgelegd dat dat, nu hij op de BSO zat, geen optie meer was. De andere kinderen liepen alvast naar boven met de medewerkers, en ik bleef bij Tim.
Trede voor trede.
Ik stond achter hem, moedigde hem aan.
Gaf hem de tijd.
Voorzichtig zette hij zijn voet op de eerste trede.
Twijfelend. Huilde een beetje
Maar hij deed het. Want ik stond letterlijk achter hem.
Mijn interesse was gewekt.
Na schooltijd aten we eerst samen fruit, zoals altijd. Daarna gingen de kinderen naar buiten. Aan de achterkant van het pand zat een buitentrap die leidde naar de tuin.
En daar werd nog iets duidelijk.
Hij kon ook niet rennen.
Waar andere kinderen speelden, vielen, opstonden en weer doorgingen, bleef hij achter. Niet omdat hij het niet wilde… maar omdat hij het simpelweg niet had geleerd.
En precies daar zit de kern.
Kinderen hebben beweging nodig.
Uitdaging.
Grenzen om te ontdekken.
Niet om ze in gevaar te brengen, maar om ze te laten ervaren wat hun lichaam kan. Hoe ze moeten vallen en weer opstaan. Hoe ze hun eigen grenzen leren kennen.
Risicovol spel klinkt spannend, maar in werkelijkheid gaat het over vertrouwen.
Vertrouwen in het kind.
En in hun vermogen om te leren.
Want als wij alles voor ze blijven doen…
nemen we ze eigenlijk iets heel belangrijks af.
De kans om te groeien. 🌱 En misschien is dat wel de grootste uitdaging voor ons als volwassenen.
Loslaten.
Vertrouwen.
Niet alles voorkomen, niet alles uit handen nemen…
maar naast een kind blijven staan terwijl het zelf ontdekt.
Want juist in dat kleine beetje spanning, in dat moment van twijfel,
ligt de grootste groei.
Dus de volgende keer dat een kind zegt:
“Dat vind ik spannend…” zeg dan niet meteen: “Laat maar.”
Maar blijf staan.
Moedig aan.
En geef ze de kans om te ervaren dat ze het wél kunnen. En misschien is dát wel het mooiste om te zien…
een kind dat eerst twijfelde,
en later zonder angst vooruit beweegt. Rent en klautert.
