Het meisje achter het hek en de wereld van Rudolf Steiner

Dagelijkse schrijfopdracht
If you could have dinner with any philosopher, who would it be?


Ik groeide op in de jaren zeventig, in een middelgrote gemeenschap waar de protestantse gemeenschap groter was dan de katholieke. Aan de rand van het dorp stond een oude katholieke school. Een statig gebouw dat al jaren leegstond. De ramen dof, het plein verlaten. Maar ineens gingen de geruchten rond dat daar een Waldorfschool zou komen.

Mijn moeder, christelijk als ze was, moest daar weinig van hebben.

“Dat is toch niets,” zei ze. “Een stel hippies die de boel komen bevuilen.”

Ik vond het vooral razend interessant.

Elke dag liep ik langs dat gebouw. Terwijl de volwassenen hun mening al klaar hadden, stond ik met mijn kleine handen om de koude stalen spijlen van het hek geklemd naar binnen te kijken. Er gebeurde van alles. Mensen liepen af en aan. Er werd geschilderd. Gebouwd. Gesjouwd. Ik keek mijn ogen uit.

Mijn zusje moest me bijna iedere middag mee trekken omdat ik weer stond te staren naar alles wat daarbinnen gebeurde.

En toen, na een paar weken, ging de school open.

Wat ik op dat schoolplein zag, voelde anders dan alles wat ik kende. Kinderen bewogen vrij over het plein. Er werd gespeeld, gebouwd, gelachen. Het voelde levendig. Zacht ook. Alsof er ruimte was voor iets wat ik nog niet kon benoemen, maar wel direct herkende.

Eenmaal thuis vertelde ik vol bewondering wat ik allemaal had gezien.

En ik wilde daarheen.

Ik wilde naar die school.

Mijn moeder keek me aan en antwoordde droog:

“Als de varkentjes kunnen vliegen.”

Dat was duidelijk.

Dus ik bleef waar ik zat.

Maar ergens bleef het hangen.

De jaren gingen voorbij en mijn nieuwsgierigheid verdween niet. Integendeel. Hoe ouder ik werd, hoe meer ik me begon te verdiepen in de antroposofie. Het gedachtegoed van Steiner sprak me aan. Misschien omdat het zoveel ruimte laat voor verwondering. Voor ontwikkeling. Voor de mens als geheel.

Langzaam begon ik daar steeds meer van terug te laten komen in mijn eigen leven.

In hoe ik keek.

Hoe ik leefde.

Hoe ik mijn dagen vormgaf.

Eenmaal uit huis kreeg ik daar natuurlijk veel meer vrijheid in. Ik kon mijn eigen keuzes maken. Mijn huis inrichten zoals ik dat fijn vond. Meer met ritme leven. Meer met de seizoenen. Meer met aandacht voor natuur, creativiteit en het grotere geheel.

En het beviel me uitstekend.

Ik ontmoette onderweg mooie mensen die net als ik geraakt werden door die manier van kijken naar de wereld. Geen zweverig gedoe. Geen sekte. Geen vreemde regels.

Gewoon een liefdevolle manier van kijken.

Naar kinderen.

Naar ontwikkeling.

Naar de natuur.

Naar elkaar.

Naar het leven zelf.

Toen mijn kinderen geboren werden en de schoolkeuze dichterbij kwam… voelde die keuze eigenlijk heel vanzelfsprekend.

Je voelt hem misschien al aankomen.

Zij gingen naar de vrije school.

En ze bleven.

Tot aan de havo hebben zij antroposofisch onderwijs gevolgd.

Mensen om me heen die dit type onderwijs niet kennen, reageerden daar regelmatig op.

“Oh… dat is toch zo’n school waar ze niets hoeven?”

Dan moest ik altijd glimlachen.

Uhum… nee.

Er ligt gewoon een vastgesteld onderwijsprogramma. Goedgekeurd en gecontroleerd, net als op andere scholen. Kinderen doorlopen dezelfde leerdoelen en vaak zelfs meer.

Alleen de weg ernaartoe ziet er soms anders uit.

Met meer ruimte voor kunst, muziek, handvaardigheid, ritme en seizoensbeleving. Met aandacht voor hoofd, hart en handen.

Niet alleen leren rekenen en schrijven.

Maar ook leren voelen.

Creëren.

Samenwerken.

Verwonderen.

Leren wie je bent in verhouding tot de wereld om je heen.

En misschien is dat wel precies wat mij er al als klein meisje zo in aantrok, terwijl ik met mijn handen om dat koude hek geklemd stond te kijken.

Dat gevoel van, hier mag een kind niet alleen leren…

maar ook helemaal mens zijn. En misschien is dat wel precies wat mij er al als klein meisje zo in aantrok, terwijl ik met mijn handen om dat koude hek geklemd stond te kijken.

Dat gevoel van: hier mag een kind niet alleen leren…

maar ook helemaal mens zijn.

Als ik iemand zou mogen uitkiezen om eens een dag mee aan tafel te zitten, samen een pot koffie te drinken en gewoon vragen te stellen, dan zou dat zonder twijfel Rudolf Steiner zijn.

Ik denk dat ik uren naar hem zou kunnen luisteren.

Over kinderen.

Over ontwikkeling.

Over de mens.

Over de wereld.

Over hoe alles met elkaar verbonden is.

Ik zie in hem een wijs man. Iemand die ver vooruit durfde te kijken en tegelijkertijd ongelooflijk dichtbij bleef. Dicht bij de natuur. Dicht bij het kind. Dicht bij de essentie van wat mens-zijn eigenlijk betekent.

Wat mij in zijn gedachtegoed zo raakt, is dat het nooit alleen over onderwijs gaat. Het gaat over hoe we leven. Hoe we kijken. Hoe we omgaan met elkaar. Met aandacht. Met verantwoordelijkheid. Met zachtheid.

En misschien is dat juist nu relevanter dan ooit.

In een tijd waarin alles sneller lijkt te moeten.

Waar meningen harder klinken.

Waar agressie soms dichter aan de oppervlakte ligt dan geduld.

Waar onvrede snel groeit en nuance steeds vaker verdwijnt.

Juist dan voelt zijn gedachtegoed als een uitnodiging om even te vertragen.

Om opnieuw te kijken.

Naar elkaar.

Naar kinderen.

Naar de aarde.

Naar dat wat werkelijk van waarde is.

Soms denk ik weleens… wat zou er gebeuren als wereldleiders zich niet alleen zouden laten leiden door macht, economie of snelheid, maar ook eens stil zouden staan bij deze manier van kijken?

Wat als er meer ruimte zou zijn voor luisteren voordat er gesproken wordt.

Voor verbinding voordat er geoordeeld wordt.

Voor verantwoordelijkheid zonder de menselijkheid te verliezen.

Ik geloof oprecht dat er dan meer zachtheid onder mensen zou ontstaan.

Meer begrip.

Meer aandacht.

Meer ruimte om te mogen verschillen zonder elkaar kwijt te raken.

En misschien klinkt dat idealistisch.

Maar misschien hebben we juist daar vandaag de dag een beetje meer van nodig.

Een beetje meer verwondering.

Een beetje meer aandacht.

En vooral…

een beetje meer menselijkheid.


Reacties

Plaats een reactie